‘IK MOET JOU ZIEN SAMEN TE BRENGEN IN EEN SPREKEND GEHEEL’

Bron: Poëziekrant 2024 nr.1

door Sietske Geerlings

Van sommige poëzie begrijp ik niet dat zij niet groot op voorpagina’s van kranten is gedrukt, in bushokjes hangt, aan de muren van onze kantoren prijkt, omdat zij simpelweg zo mooi is dat wij daar alleen maar fijnere mensen van kunnen worden, die net iets beter kijken en luisteren dan wij gewend zijn. Dat dacht ik met Aanblik van Paul Meeuws in mijn handen. De voorkant van de bundel toont een fragment van een gezicht, een ‘aanblik’, getekend door Meeuws zelf. Het bijzondere is dat je als kijker wel meer zou willen zien, maar dat het gezicht aan de randen afgesneden is. Tegelijkertijd is het alsof het gezicht vanuit de bundel naar je kijkt, terwijl de blik gevangen wordt door het kader van de omslag: ook zijn blikveld is beperkt. Het is mooi dat een omslag zo de essentie kan weergeven van de bundel zelf, die juist over kijken gaat. Het motto van de bundel is ontleend aan de achtste Duineser Elegie van Rilke, die de blik als een ‘valstrik’ beschrijft, die het opene en de ruimte van de wereld gevangen houdt. In de aantekeningen achterin zegt Meeuws dat juist die regels hem hebben aangemoedigd nog beter te kijken, ‘om daarmee aan de dreigende valstrik van de zelfbegoocheling te ontkomen’.  Het lot van de mens is dat hij overal en altijd  tegenover datgene staat wat hij ziet.

De poëzie van Meeuws is van een uitzonderlinge schoonheid, juist door de poging nader tot de ander te komen. Hij beschrijft schilderijen niet alleen als de buitenstaander die hij noodgedwongen is, maar kruipt erin, op zoek naar de wereld daarbinnen, en hij vangt daarbij niet alleen de ziel van de schilder, maar ook van de kijker, en misschien zelfs van de lezer. Al die werelden komen namelijk samen:

De dood is een soort droom.
Ik lig in een boot en wacht op de stroom.
Wie draagt mij straks naar het strand
het duin op tot vlak voor de rand
waar je de zee al hoort maar niet ziet,
alsof je geroepen wordt door wie je verliet.
De dood is een voetstap waarin ik net pas,
wit als een sneeuwrest in het zomerse gras.

Dit fragment komt uit de afdeling ‘Christina’s world’, de titel van een schilderij van de Amerikaanse plattelandsschilder Andrew Wyeth. De auteur heeft in deze reeks van sonnetten fragmenten van verschillende schilderijen samengevoegd. Dit fragment is vermoedelijk geschreven bij het indringende ‘Fisherman’, waarop een deel staat van een waarschijnlijk dode visser in een boot. Het lyrisch ik valt voor even samen met de dode man, maar hij reflecteert op zijn toestand. Hij stelt vragen die als kijker in je op kunnen komen: wie brengt deze dode man straks aan land? Het gedicht duikt dieper de wereld in van het schilderij, verder dan waar de lijst ophoudt, want het duin ‘waar je de zee al hoort maar niet ziet’ bevindt zich niet in beeld, maar wie de zee kent, weet hoeveel ruimer de wereld rondom dit beeld is en hoe magisch het moment als je hoog op het duin staat. De eenvoudige regel ‘alsof je geroepen wordt door wie je verliet’ is veelzeggend. Wie doodgaat, verlaat de wereld, zijn geliefden, en deze visser ook de zee. Wie roept hem? De zee, zijn geliefde, of misschien zelfs de kijker, of de lezer? Terwijl de schilder een fragment vangt, vouwt de dichter de wereld open en combineert die met de wereld van de kijker, maar ook van de lezer. Voor even wandel je in het schilderij en in het gedicht, sta je stil bij het stukje leven dat erin geschilderd en beschreven is, en vang je een glimp op van onze eindigheid.

De afdeling ‘Aanblik’ beschrijft de kunst van het tekenen:

Mijn tekenende hand is de hand
die het dichtst is bij jou,
de gevlekte, geaderde, die zijn lijnen
behoedzaam over je heen trekt.
En nog zit je te stil,
alsof je me voordoet
waar alles op uitdraait.

Het vastleggen van een mens is misschien zelfs een mystieke bezigheid: het samenvallen met de ander en tegelijkertijd beseffen dat de beweging is stilgelegd.  Tekenen is het voortdurend reiken naar dat ultieme moment van samenvallen, zo dicht bij de ander willen komen dat je die ander ten volste zou willen begrijpen, terwijl je weet dat het stilstaande beeld nooit het leven van die ander kan vatten:

Ik sta soms zo dicht op je
dat je op zijn hevigst anders bent dan ik.
Je knippert in mijn meelicht
als tegen een frontale zon;
zo overweldigend is mijn kijken,
zo hartverscheurend vlak is je portret.

Hoewel de afdeling ‘Christina’s world’ volledig uit sonnetten bestaat, is Meeuws’ poëzie toch vrij en natuurlijk te noemen. Het klankspel is prachtig, maar vooral subtiel, zonder rijmdwang. Dat vrije past bij het zoekende van de penseelstreek of de lijn van het potlood. Dichten en tekenen vloeien in elkaar over. De zoektocht naar de ander, vanuit zoveel mogelijk zintuigen, in penseelstreken en potloodlijnen, brengt de lezer, de mens, op een hoger plan.